A.C.W. Staring (1767-1840)

Staring was een zoon van Damiaan Hugo Staring (1736-1783) en Sophia Wijnanda Ver Huell (1749-1794). Alhoewel geboren in Gendringen bracht hij zijn jeugdjaren in het Zuid-Hollandse Gouderak en in Gouda door. Zijn vader was in dienst van de VOC uitgezonden naar Kaap de Goede Hoop. De zesjarige Anthoni werd ondergebracht bij zijn oom, de weduwnaar Jacob Gerard Staringh, die predikant in Gouderak was. Na achtereenvolgens van 1773 tot 1776 de Franse school van Meester Willem Muys en van 1776 tot 1782 de middelbare opleiding aan de Latijnse school te Gouda te hebben gevolgd vertrok hij in 1783 uit Gouda om te gaan studeren.

Hij volgde opleidingen aan de Universiteit van Harderwijk (rechten) en in Göttingen (botanie) om zich voor te bereiden op het beheer van zijn landgoed en Kasteel De Wildenborch, waar hij zich in 1791 blijvend vestigde. De manier waarop hij het landgoed exploiteerde was voor die tijd zeer bijzonder. De ‘landman’ Staring had oog voor de natuur, maar ook voor de noden van de mensheid. Zo liet hij op De Wildenborch een school bouwen, waar kinderen van boeren en landarbeiders onderwijs genoten.

 

Politiek

Staring werd in 1797 gekozen tot lid van de Tweede Nationale Vergadering, maar aanvaardde deze functie niet. Van 1802 tot 1805 was hij lid van het departementaal bestuur van Gelderland. Van 1812 tot 1813 was hij president van de kantonnale raad Lochem. Hij maakte in maart 1814 deel uit van de Vergadering van Notabelen. Hij was van 1814 tot 1831 lid van Provinciale Staten van Gelderland, met een onderbreking van twee jaar in de periode 1824-1826.[4]

Dichter

Staring was een romantische dichter, een van de weinige de dichtkunst beoefenende Nederlanders die als zodanig bekendstaan. Zijn romantische inslag betrof zowel hetgeen waarover hij schreef (legenden, beschrijvingen van de natuur) als de wijze waarop hij dat deed (gevoelig en humoristisch). Hij debuteerde in 1786 met Mijne eerste proeven in poëzij.

Staring blonk uit in de dichterlijke vertelkunst. Een goed voorbeeld daarvan is zijn “Jaromir-cyclus”, maar ook met “Marco” en “De hoofdige boer” verwierf hij bekendheid. Veel waardering ondervond hij echter niet, onder meer omdat zijn literaire werk moeilijk toegankelijk zou zijn.

Staring trouwde op 6 juni 1791 te Almen met Everdina Maria van Löben Sels (1765-1794). Hij hertrouwde op 22 juli 1798 te Maarssen met Johanna Andrea Charlotte van der Muelen (1774-1843). Een zoon uit het tweede huwelijk was de bosbouwer, geoloog en waterstaatkundige Winand Carel Hugo Staring (1808–1877).